Genetisch onderzoek naar depressie

Het NTR doet veel onderzoek naar de oorzaken van depressie en angst, zowel bij kinderen als bij volwassen. De afgelopen jaren is een aantal belangrijke publicaties verschenen in wetenschappelijke tijdschriften.

Achtergrond 

Een ernstige depressie onderscheidt zich van “normale” somberheid door de duur (langer dan 2 weken), de aanwezigheid van bepaalde psychische en lichamelijke symptomen (zoals slecht slapen en eten, vermoeidheid, schuldgevoelens, slechte concentratie, gedachten aan de dood) en de ernstige gevolgen voor het dagelijks leven van de patiënt.

Het is een aandoening die veel voorkomt; ongeveer 15% van de volwassen krijgt er gedurende zijn of haar leven mee te maken, twee keer zoveel vrouwen als mannen. De ziekte heeft ernstige gevolgen voor zowel de patiënten zelf (ziektelast, problemen op werk, relaties) als de maatschappij (ziekteverzuim, kosten medische behandeling).

Oorzaken

Uit eerdere onderzoeken, met name onder tweelingen, is gebleken dat de kans om een ernstige depressie te krijgen voor een groot deel genetisch bepaald is (zo is de overeenkomst tussen eeneiige tweelingen duidelijk hoger dan onder twee-eiige tweelingen). Het is echter nog niet duidelijk welke genen hier precies verantwoordelijk voor zijn. Om een verband aan te kunnen tonen tussen specifieke genen en depressie is grootschalig onderzoek nodig. Voor dit onderzoek moet onder andere DNA (de drager van de erfelijke informatie) en uitgebreide informatie over de lichamelijke en geestelijke gezondheid van mensen verzameld worden.

In Nederland is deze informatie verzameld bij deelnemers aan het onderzoek van het Nederlands Tweelingen Register (NTR) en bij deelnemers aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA).Daarmee hebben we de mogelijkheid om een goed verantwoord genetisch onderzoek onder mensen met ernstige depressies uit te voeren.

Aanpak

Het is sinds een paar jaar mogelijk om te zoeken naar genen die verband houden met een ziekte met een zogeheten genoomwijde associatiestudie. Hiervoor wordt het DNA van gezonde mensen en mensen met de betreffende aandoening onderzocht op de verschillen in de frequentie van zogeheten DNA-markers. Dit zijn bekende, kleine varianten in het DNA, de zogeheten SNP’s (single nucleotide polymorphisms). Loopt de overerving van een bepaalde marker in de onderzochte bevolking parallel aan de overerving van de ziekte, dan is dit een aanwijzing dat in de buurt van die marker een gen ligt dat betrokken is bij het ontstaan van de ziekte. De SNP hoeft nog geen causaal verband te houden met de ziekte, maar fungeert als “marker” voor een gen (of een andere genetische variant) die erbij in de buurt ligt. Van deelnemers aan het NTR- en NESDA-onderzoek is een selectie gemaakt. In totaal doen 1862 mensen mee met de diagnose “ernstige depressie” en 1857 controlepersonen die juist heel erg weinig of geen depressieve klachten hebben.

Dankzij een grote subsidie uit de Verenigde Staten (vanuit het National Institute of Mental Health) kon bij deze deelnemers een set van 600.000 SNPs (in en rondom genen) worden geanalyseerd, via een genoomwijde scan. Onderzoekers van NESDA en het NTR hebben de eerste analyses op basis van deze gegevens afgerond. De resultaten zijn gepubliceerd in een aantal artikelen die zijn in te zien op de NTR-website.