Waarom de een wél veel zelfcontrole heeft en de ander niet

Yayouk Willems
Yayouk Willems

Zelfcontrole speelt een grote rol in ons dagelijks leven. We moeten ons concentreren op ons werk terwijl we worden afgeleid door sociale media, emoties reguleren bij het aangaan van nieuwe relaties en ongezonde snacks laten staan wanneer we op een dieet zijn. Zelfcontrole helpt ons met dit soort dagelijkse uitdagingen: het is de kracht om ons doen en laten onder controle te houden als er verleidingen op de loer liggen. Niet iedereen heeft dezelfde hoeveelheid zelfcontrole. Sommige mensen vinden het erg lastig om zelfcontrole uit te oefenen, waardoor ze een groter risico hebben op talloze psychologische en fysiologische problemen. In dit proefschrift hebben we onderzocht waar individuele verschillen in zelfcontrole vandaan komen.


            Doormiddel van grote meta-analyses hebben we onderzocht in hoeverre de omgeving (ouders) en onze biologie (genen) een rol spelen. Zo zien we dat oudergedrag significant geassocieerd is met de zelfcontrole van hun adolescenten, ook al brengen de adolescenten minder tijd door thuis met hun ouders en meer met vrienden. Belangrijk is dat kinderen en adolescenten geen passieve ontvangers zijn van hun omgeving. Ouders en kinderen beïnvloeden elkaar. Dit benadrukt dat het algemeen veronderstelde idee dat ouders het gedrag van hun kind ‘veroorzaken’ te eenvoudig gesteld is, want kinderen ‘veroorzaken’ ook het gedrag van hun ouders. 


            Ook onze genen spelen een rol in onze mate van zelfcontrole. Door tweelingstudies te meta-analyseren zien we dat zelfcontrole voor 60% erfelijk is. Een erfelijkheid van 60% betekent niet dat zelfcontrole niet te beïnvloeden is want een genetische schatting is geen deterministisch gegeven. Het suggereert echter dat het voor sommige individuen gemakkelijker is om zelfcontrole uit te oefenen dan voor anderen, zelfs wanneer ze worden blootgesteld aan dezelfde interventie of omgeving, en dit wordt gedeeltelijk verklaard door iemands genetische profiel.


            Ook hebben we een meetinstrument ontwikkeld (de ASEBA Self-Control Scale) die een breed scala aan mogelijkheden biedt. De schaal is betrouwbaar voor ouder-, leerkracht- en zelfrapportage, waardoor zelfcontrole in meerdere contexten kan worden gemeten. Ook kan het van deze schaal mogelijk helpen bij het tijdig opsporen van kinderen die het risico lopen op de ontwikkeling van problemen die samenhangen met weinig zelfcontrole.


            Vroeger werden omgevings- en genetische invloeden als twee uitersten gezien (Nature versus Nurture). Inmiddels weten we dat genetische en omgevingsinvloeden elkaar niet wederzijds uitsluiten: de variatie in de populatie is het resultaat van de wisselwerking tussen de twee (Nature and Nurture). Wanneer geen rekening gehouden wordt met zowel genetische als omgevingsfactoren loop je het risico om causale conclusies te trekken, terwijl er geen causaal verband is. 


            Wij hebben daarom onderzoek gedaan welke omgevingsfactoren causaal samenhangen met zelfcontrole, wanneer je zowel rekening houdt met omgevings- en genetische factoren. Terwijl de associatie tussen positieve familieband en zelfcontrole waarschijnlijk niet causaal van aard is, lijkt het verband tussen familieconflict en zelfcontrole wél causaal te zijn. Lage zelfcontrole kan dus mede veroorzaakt worden door geweld in het gezin. Onderzoekers en behandelaars zich ervan bewust zijn dat verminderde zelfcontrole kan voortvloeien uit de blootstelling aan geweld en conflicten in het gezin. We hebben ook gekeken of we op moleculair niveau de invloeden van stress op zelfcontrole kunnen aantonen. We zien echter niet dat iemands genetische risico op verminderde zelfcontrole verder tot uiting komt wanneer iemand blootgesteld was geweest aan bepaalde omgevingsstressoren. Dit onderzoek is echter nog erg pril, en er moet nog meer onderzoek gedaan worden hoe we de interactie tussen stress en ons DNA kunnen onderzoeken. Zowel nature als nurture verklaren wie we zijn, maar achterhalen hoe deze wisselwerking precies werkt blijft een uitdaging die toekomstig onderzoek zal aangaan.